In de fabel “De Raaf en de Vos” van Jean de La Fontaine zit een raaf op een tak met een stuk kaas in zijn snavel. Een sluwe vos ziet de raaf en wil het kaas bemachtigen. Hij begint de raaf te vleien en prijst zijn schoonheid en zangstem. Gevleid door de woorden van de vos, doet de raaf zijn snavel open om te zingen, waardoor het stuk kaas naar beneden valt. De vos pakt het kaas en geeft de raaf als les dat hij niet op vleierij moet vertrouwen.

De RAAF en de VOS

Meester de Raaf, hoog en droog op zijn tak,
hield een pracht van een kaas in zijn snebbe.
Meester de Vos, dien de geur daarvan stak,
 zou ‘t aldus met hem aangelegd hebben:
 
‘Dag Jonkheer de Raaf, goeden dag!
 Wat zijt ge fraai, als ik u zoo aanschouwen mag!
 Voorwaar, als uw stem zou blijken,
 met uw dos te zijn te vergelijken,
 
waart ge de feniksvogel van dit woudgebied.’
Bij dat woord kent de raaf bijkans zijn vreugde niet,
en tot het kweelen van zijn lied
 spert hij den bek, zoodat zijn roofbuit hem ontschiet.
 
De vos, daar meester van, zegt: ‘Beste, leer van mij,
 dat wie zich afgeeft met gevlei,
 op kosten leeft van wie geloof hem schenken.
 Die les is wel een kaas waard, zou ik denken.’
 
De raaf, in schaamte en stil berouw,
 zwoer, wel wat laat, dat men hem niet weer nemen zou.


MORAAL:

De moraal van het gedicht “De Raaf en de Vos” van Jean de La Fontaine is dat mensen die zich laten vleien, vaak bedrogen worden. In het verhaal laat de raaf zich door de mooie woorden van de sluwe vos misleiden en verliest zo zijn stuk kaas. De moraal benadrukt dat je altijd op je hoede moet zijn voor vleiende woorden, omdat deze vaak een verborgen motief kunnen hebben. Het gedicht waarschuwt dus tegen het te gemakkelijk geloven van lof en complimenten.