
George Bataille’s VOORNAAMSTE WERKEN
- 1928 – Histoire de l’œil (Onder pseudoniem van Lord Auch)
- 1941 – Madame Edwarda (Onder pseudoniem van Pierre Angélique)
- 1943 – Le petit (Onder pseudoniem van Louis Trente)
- 1943 – L’Expérience intérieure
- 1949 – La scissiparité
- 1950 – L’Abbé C.
- 1957 – Le bleu du ciel
- 1962 – L’impossible
- 1966 – Ma mère
- 1967 – Le mort
- 1971 – Julie
De geschiedenis van het oog
Histoire de l’œil ( Het Oog) is een korte roman van Georges Bataille, voor het eerst clandestien gepubliceerd in 1928, onder het pseudoniem Lord Auch, die de seksuele ervaringen van twee tieners en hun groeiende perversiteit beschrijft.

De geschiedenis van het oog van Georges Bataille verscheen (in een geheel herziene vertaling van Paul Claes) in het voorjaar van 2019.
“Hoewel “l’Histoire de l’oeil” enkele personages bevat die een naam hebben, en het verhaal van hun erotische spelletjes, was Bataille niet van plan het verhaal van Simone, Marcelle of de verteller te schrijven (net zoals Sade dat kon schrijven het verhaal van Justine of Juliette). “L’Histoire de l’oeil” is echt het verhaal van een object. Hoe kan een object een verhaal hebben? Het kan van hand tot hand gaan, maar ook van afbeelding op afbeelding ; zijn geschiedenis is dan het verhaal van een migratie, de cyclus van reïncarnaties (in de eigenlijke zin) die hij doorloopt om zich los te maken van het oorspronkelijke wezen, de neiging volgend van een bepaalde verbeeldingskracht die hem vervormt zonder hem echter te verlaten: dit is het geval van het boek van Bataille.”
De geschiedenis bestaat uit een systematische reeks transgressies. Dertien episodes verbeelden telkens een driehoeksrelatie tussen een jonge verteller, een jong meisje en een getuige van een gewaagde seksscène. Naarmate het boek vordert, worden de erotische experimenten uitzinniger, tot ze uitlopen in de climax van een moord. De droomatmosfeer en het metaforische spel met het oog staan een realistische lezing in de weg. Zo wordt de opeenvolging van steeds gruwelijker fantasieën een allegorie van de zoektocht naar het onzegbare.
ILLUSTRATIES
De Italiaanse schilder Gastone Novelli (1925-1968), die Bataille en Masson ontmoette in Parijs (in 1961), en in 1962 verschillende tekeningen maakte geïnspireerd door dit verhaal, die werden gepubliceerd in de catalogus van een tentoonstelling in Milaan, gewijd aan op drie series tekeningen van Novelli geïnspireerd op literaire teksten:
History of the eye, Il Viaggio in Grecia, Hilariotragoedia (Baldini&Castoldi Editore, 1999);
De schilder Gilles de Staal (geboren in 1948), illustrator van Le Mort (Éditions Blanche, 1998);
maar deze tekeningen, die dateren uit 2006, blijven ongepubliceerd;
Madame Edwarda
Georges Bataille (1897 – 1963) schreef Madame Edwarda aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Hij publiceerde het clandestien in 1941 onder het pseudoniem van Pierre Angélique. Vijftien jaar later verscheen de derde editie, nu voorzien van een voorwoord door Bataille. Pas na zijn dood verscheen in 1966 het geheel onder zijn naam.
Madame Edwarda is één van de aangrijpendste erotische verhalen die er zijn geschreven. De schrijver trekt de lezer mee op een zoektocht naar bevrediging en laat hem uitgeput achter. De witte plekken in de tekst lijken aan te geven dat niet alleen de verteller, maar ook de schrijver zelf taal tekort kwam. Het is de stilte waar de extase zo sterk is dat er geen woorden voor zijn. Niet alleen noemt Edwarda, een hoer, zichzelf God, maar ze gaat over de grenzen van de extase heen, waar de verteller haar niet kan volgen en onmachtig toeschouwer wordt.
DE DODE MAN
“Le Mort” werd geschreven tussen eind 1942 en begin 1944 (Bataille zelf is onnauwkeurig over de exacte data), maar bleef ongepubliceerd tijdens het leven van de auteur. Het werd voor het eerst gepubliceerd, met de krachtige kleurengravures van zijn vriend Masson, twintig jaar nadat het was geschreven.
Le mort (De dode man) is de kortste en ongetwijfeld de donkerste, de meest schandalige en obscene – ‘van een zeer slechte soort’ in zijn eigen woorden – van de verhalen van Georges Bataille.
Zijn beknoptheid, 28 hoofdstukken van elk één pagina, dient om de intensiteit en kracht ervan te accentueren, de overdaad aan verlangen vermengd met de fascinatie van horror in een evenwicht tussen hartstocht en dierlijkheid.
Georges Bataille. De dode. Vertaald uit het Frans door Jan Versteeg. Arena[su_expand more_text=”Lees meer” less_text=”Terug” height=”40″ text_color=”#110101″ link_style=”underlined”]Het literaire werk van Georges Bataille (1897-1963) heeft een dubieuze reputatie. Moet het nu tot de literatuur of tot de pornografie worden gerekend? Voor het laatste pleiten de vele vrijmoedige, om niet te zeggen obscene passages die het bevat. Weinig perversies die gecatalogiseerd staan in “Krafft Ebings Psychopathia Sexualis” ontbreken bij Bataille. Maar aan een perversie lijkt hij toch de voorkeur te geven: necrofilie. In de onlangs – uitstekend – vertaalde novelle Le mort, waarop de Groningse voorstelling voor een deel is gebaseerd, is dat overduidelijk. Over alle seksuele uitspattingen ligt de schaduw van de dood. Dat begint al in het eerste hoofdstukje, waar een zekere Edouard dood neervalt. Daarna volgen we zijn geliefde, Marie, die slechts gekleed in een regenjas het huis verlaat om in een naburige herberg met enkele boerenknechten en een macabere `graaf’ een woeste orgie aan te richten. Dat zij nog altijd in de ban van de dood verkeert, laat Bataille zien door middel van de vergelijkingen die hij gebruikt. In de herberg valt Marie, half dronken, op de vloer met `het geluid van een dood dier’. In haar orgasme voelt zij zich niet meer gescheiden van haar – gestorven – Edouard, die zelfs weer tot leven lijkt te komen in de gedaante van de al genoemde graaf: voor Marie is hij niemand anders dan `de geest van Edouard’. In zijn ogen leest zij `de zekerheid van de dood’ en de novelle eindigt met haar zelfmoord, waarna de graaf, zo wordt althans gesuggereerd, verdrinkt in een kanaal. Voor een pornografisch verhaal is dat alles bij elkaar wel erg veel `dood’. Het is zelfs de vraag of een necrofiel er nog genoegen aan kan beleven. Toch is dat het enige doel van pornografie: het veroorzaken van een zo groot mogelijke seksuele opwinding. Hoe opwindend Le mort in de praktijk kan zijn, laat ik graag aan de discretie van de lezer over. Maar Bataille is het kennelijk ook nog om iets anders te doen geweest, misschien zelfs alleen maar om iets anders. Om te achterhalen wat precies, is het nodig ook het overige, niet literaire werk van Bataille erbij te betrekken. Bijvoorbeeld L’érotisme, zijn fundamentele studie over de erotiek uit 1957, die begint met de intrigerende uitspraak dat erotiek `een bevestiging van het leven tot in de dood’ zou zijn. Daarmee bedoelt hij dat in de erotische vervoering een grens wordt overschreden als in de dood. Niemand sterft echt aan zijn of haar orgasme, maar wel in overdrachtelijke zin. Vandaar dat men in Frankrijk over `de kleine dood’ pleegt te spreken. Tegenover de dood staat de menselijke drang tot zelfbehoud, die zich manifesteert in arbeid, spaarzin, redelijk denken. Alles wat met de dood heeft te maken is dan ook van oudsher omgeven met allerlei verboden. Het merkwaardige aan de mens is echter dat hij tegelijkertijd last heeft van een verlangen zijn eigen verboden te overtreden. Van het totaal `andere’ dat de dood is, gaat blijkbaar een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. De meeste religies hebben dat goed begrepen. In hun cultus is doorgaans een geprivilegieerde ruimte vrijgemaakt, waarin de gelovigen – door deel te nemen aan het offer – zich aan hun morbide verlangen kunnen overgeven, zonder er daadwerkelijk aan te sterven. Hetzelfde gebeurt volgens Bataille in de erotiek, die hij scherp onderscheidt van de alleen op de voortplanting gerichte seksualiteit; in de erotiek gaat het in de eerste plaats om de overtreding van het verbod. Om die reden plaatst Bataille de erotische ervaring in het domein van het `heilige’, dat in de redelijke en arbeidzame twintigste eeuw zoveel van zijn plaats heeft moeten prijsgeven. Buiten de traditionele godsdienst bestaat het eigenlijk alleen nog in de kunst en in de literatuur. Vandaar dat in Bataille’s literaire werk de erotiek zo prominent aanwezig is; via de seksuele uitspattingen van zijn personages wil hij zijn lezers laten delen in een `heilige’ ervaring die elders niet meer te vinden is. De erotische scènes die hij met zoveel sombere wellust weet te schilderen, zijn eigenlijk altijd verkapte offerrituelen, waarbij de vrouw optreedt als slachtoffer, de man als offeraar. In L’érotisme wordt de liefdesdaad ook expliciet zo beschreven: `De minnaar tast zijn beminde vrouw niet minder aan dan de bloedige offeraar de mens of het dier dat wordt geslacht. In de handen van degene die haar overvalt wordt de vrouw van haar wezen beroofd. Met haar schaamte verliest zij de krachtige barrière die haar, door haar te scheiden van de ander, ondoordringbaar maakte; ruw opent zij zich voor het seksuele spel dat zich ontketent in de geslachtsorganen, zij opent zich voor het onpersoonlijke geweld dat haar van buitenaf overstroomt’. Dat het ook in Le mort om een offerritueel gaat, blijkt opnieuw uit de vergelijkingen die Bataille gebruikt. Wanneer Marie door een van de boerenknechten op de grond wordt gedrukt, spreidt zij haar armen tot `een kruis’. Een hoofdstuk verder wordt zij uitdrukkelijk een `slachtoffer’ genoemd en over de copulatie die dan volgt lezen we: `In zijn traagheid deed het schouwspel aan het kelen van een varken of aan de graflegging van een god denken’. Een verschil met de andere erotische teksten van Bataille is hier alleen, dat Marie’s erotische doodservaring als het ware wordt uitgelokt door de dood van Edouard. Het offerritueel waaraan zij zich in de herberg blootstelt, beoogt in feite de band met hem vast te houden. Le mort zou men daarom, in de meest volledige zin van het woord, een tragische liefdesgeschiedenis kunnen noemen. Tragisch vanwege het offer dat wordt voltrokken, maar niet minder vanwege het echec daarvan. Hoezeer de erotische ervaring zich ook afspeelt in de ban van de dood, sterven doet Marie er niet aan – daar is, in het op een na laatste hoofdstuk, een `flesje’ met gif voor nodig. Desondanks blijft Le mort een buitengewoon bevreemdende tekst. Van een echt verhaal is amper sprake; wat we lezen is een opeenvolging van taferelen, waarin de gebeurtenissen in korte, felle, lyrische zinnen eerder worden opgeroepen dan beschreven. Ook ontbreekt alle psychologische diepgang. Niet minder bevreemdend is de vormgeving van het verhaal: elk hoofdstuk neemt precies een bladzijde in beslag, de tekst is (op Bataille’s aanwijzing) voorzien van een zwarte rouwrand en de titels staan, eveneens met zwart omkaderd, aan de onderkant. Zijn het eigenlijk wel titels en hoofdstukken? Misschien kunnen de taferelen beter worden opgevat als de opeenvolgende staties van een bizarre particuliere kruisweg. Als dat zo is, dan zouden de Geestelijke Oefeningen van Ignatius van Loyola (waarvoor Bataille in L’expérience intérieure zijn bewondering heeft uitgesproken) tot voorbeeld kunnen hebben gediend. Daarin wordt het lijdensverhaal van Christus in korte, lapidaire zinnen geëvoceerd om de jezuïet te helpen zich te verliezen in een vrome meditatie. Van pornografie en necrofilie zijn we hier ver verwijderd, maar Bataille’s bedoeling lijkt me opeens een stuk dichterbij gekomen. Wat hij moet hebben gehoopt is dat de voorbeeldige lezer zich op dezelfde manier zal `verliezen’ in een tekst als Le mort, teneinde in een `heilige’ mengeling van opwinding, schaamte en vrees ook een beetje – zoals Edouard, Marie en de graaf – te `sterven’. [/su_expand]







